Gods Woord blijft open

Dinsdag 7 april

Uit de Profeet Jesaja

Gij eilanden, luistert naar mij! Spitst uw oren, verre volken! Van de moederschoot af heeft de Heer mij geroepen, mijn naam heeft Hij al genoemd van de moederschoot af. Hij heeft van mijn mond een scherpsnijdend zwaard gemaakt en mij beschut met de schaduw van zijn hand. Hij heeft mij een spitse pijl gemaakt en mij in zijn koker geborgen. Hij heeft mij gezegd: „Mijn dienaar zijt gij, Israël, door wie Ik mijn glorie ga vinden.”
Maar ik zei: „Vruchteloos heb ik gezwoegd, mijn kracht verging in leegte en wind, maar toch behartigt de Heer mijn recht, en komt mijn beloning van God.”
Thans echter heeft de Heer gesproken, die mij van de moederschoot af tot zijn dienaar gevormd heeft om Jakob terug te brengen naar Hem en Israël van de ondergang te redden. Ik sta bij de Heer in ere, mijn God is mijn sterkte. Hij heeft mij gezegd: „Gij zijt niet alleen mijn dienaar om Jakobs stammen op te richten en de gespaarden van Israël terug te brengen, Ik maak u nu ook tot een licht voor de heidenen, zodat mijn heil tot de grenzen der aarde zal gaan.”

(De volledige daglezingen vindt u hier)

De profeet Jesaja weet zich geroepen. Zelfs nog voordat hij was geboren, was hij al bestemd om profeet te worden. Door hem zou God weer glorie vinden. Maar hij krijgt het gevoel dat het mislukt is. De moedeloosheid slaat toe bij de profeet.

Wat moet dat gevoel herkenbaar zijn voor velen. Je hebt geprobeerd iets te maken van je leven, je krachten gegeven om iets op te bouwen. En dan opeens gebeurt er iets waar je totaal geen vat op hebt. Je kunt alleen maar met lede ogen toezien hoe je werk afbrokkelt en misschien zelfs totaal in elkaar stort, zonder enig zicht op verandering. Integendeel van 26 april wordt het 1 juni, en misschien zelfs nog later. Het is om moedeloos van te worden, als je inzet in leegte en wind vergaat.

Wat blijft dan over? Voor Jesaja is er een groot “maar toch”. Hij blijft vertrouwen op God en die zal hem zelfs maken tot een licht voor de heidenen. Toch heeft Jesaja dit niet meegemaakt. Het bleef een belofte die pas vervuld zou worden in de Christus.

Ook bij Jezus Christus leek alles te zijn mislukt: onbegrip van het volk, van zijn leerlingen, het schijnbare failliet van zijn dood op het kruis, de godverlatenheid bij zijn sterven. Maar toch bidt Hij op het eind van zijn aardse bestaan “Vader, in uw handen beveel Ik mijn Geest…”
En zijn vertrouwen was niet vergeefs: God zijn Vader heeft Hem gemaakt tot een Licht voor de heidenen, zodat zijn heil tot de grenzen der aarde zou gaan. Ook tot ons.

Wat heb je daaraan op dit moment? Misschien is het goed om te bedenken waarom je zo hard gewerkt hebben. Ging het om de carrière of het bedrijf of om de mensen voor wie je het deed? En als zoveel wegvalt, valt dan ook het belangrijkste weg? Het is zaak om te weten waarin of in wie je moet investeren!

Het gelovig antwoord ligt in de relatie. Zoals Jesaja zich van de moederschoot geroepen wist, zo mogen ook wij ons gezien en geroepen weten. Namelijk door een God ons recht behartigt, die een toekomst voor ons in petto heeft. Dat is geen toekomst van bankrekeningen, maar van verbondenheid en geborgenheid. Laten we daarin een diepte-investering doen door ons tot Hem te bekeren, te geloven en lief te hebben.


Maandag 6 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Zes dagen voor Pasen kwam Jezus te Betanië, waar Lazarus woonde, die Hij uit de doden had opgewekt. Men gaf daar ter ere van Hem een maaltijd. Maria bediende en Lazarus was een van degenen die met Hem aanlagen.
Maria nu nam een pond nardusbal­sem, echte en heel kostbare, zalfde daarmee Jezus’ voeten en droogde ze met haar haren af. Het huis hing vol balsem­geur. Daarop zei Judas Iskariot, een van zijn leerlingen, dezelfde die Hem zou uitleveren: ‘Waarom is die balsem niet voor driehon­derd denaries verkocht en het geld aan de armen gege­ven?’ Hij zei dat, niet omdat hij bezorgd was voor armen, maar omdat hij een dief was en uit de beurs die hij bewaarde, wegnam wat erin kwam.
Jezus echter zei: ‘Laat haar begaan. Zij heeft dit gebruik onderhou­den, vooruitlopend op de dag van mijn begrafenis. Want de armen houdt gij altijd bij u. Mij echter niet altijd.’
Intussen waren heel veel Joden te weten gekomen dat Jezus daar was, en kwamen erheen niet alleen omwille van Jezus, maar ook om Lazarus te zien die Hij uit de doden had opgewekt. De hogepries­ters besloten toen ook Lazarus uit de weg te ruimen, omdat om hem veel Joden wegliepen en in Jezus geloofden.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Wat een verschillen in het Evangelie van vandaag. Aan de ene kant liefde en goedheid en aan de andere kant het kwaad.

We horen over Jezus en zijn vrienden. Jezus heeft Lazarus nieuw leven geschonken door hem uit de dood te doen opstaan. Hij is bevriend met Lazarus en diens zusters Marta en Maria. En Maria is dienstbaar aan de gasten en haar broer en ze eert Jezus door zijn voeten te zalven. En als Judas dan een afkeurende opmerking maakt, neemt Jezus het voor Maria op en Hij toont begrip en respect voor wat ze doet. Vriendschap, leven, dienstbaarheid, begrip en respect, dat is het wat Jezus teweegbrengt.

En dan zijn daar Judas en de hogepriesters. Judas bekritiseert Maria’s daad van verering en liefde. Hij is geërgerd dat hij zelf het geld voor die balsem niet in handen krijgt. Judas liegt dat hij het geld voor de armen had willen uitgeven, want hij had het zelf achterover willen drukken. En hij zal met de hogepriesters samenzweren om Jezus uiteindelijk te vermoorden. Dat is het wat Judas voortbrengt: kritiek, irritatie, hebzucht, list, leugen, diefstal en moordplannen.

We zien de botsing tussen goed en kwaad, tussen licht en donker, tussen God en de duivel. Later deze week zullen we horen hoe het kwaad lijkt te overwinnen en hoe Jezus wordt omgebracht. Maar we weten dat het daar niet bij blijft. Want God is sterker dan het kwaad, sterker dan de zonde, sterker dan de duivel en de dood. We kunnen ons op Hem verlaten en Hem vertrouwen.

Het vertrouwen dat wij in God mogen hebben, wordt in de psalm van vandaag mooi verwoord:

De Heer is mijn licht en mijn leidsman,
wie zou ik vrezen?
De Heer is de schuts van mijn leven,
voor wie zou ik bang zijn?
Zie uit naar de Heer en houd dapper stand,
wees moedig van hart en vertrouw op de Heer.

Het zijn weinig woorden. Herhaal ze een paar keer stil voor uzelf, en laat ze op u inwerken. En bid ze. Het zijn bemoedigende woorden; woorden van God zelf.


Zondag 5 april

Uit de brief van de heilige apostel Paulus aan de christenen van Filippi

Broeders en zusters, Hij die bestond in goddelijke majesteit heeft zich niet willen vastklampen aan de gelijkheid met God. Hij heeft zichzelf ontledigd en het bestaan van een slaaf op zich genomen. Hij is aan de mensen gelijk geworden. En als mens verschenen heeft Hij zich vernederd door gehoorzaam te worden tot de dood, tot de dood aan het kruis. Daarom heeft God Hem hoog verheven en Hem de naam verleend die boven alle namen is. Opdat bij het noemen van zijn Naam zich iedere knie zou buigen in de hemel, op aarde en onder de aarde; en iedere tong zou belijden, tot eer van God de Vader: Jezus Christus is de Heer.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Ieder jaar biedt Palmzondag ons een vreemde liturgie van uitersten. Eerst wordt Christus binnengehaald als koning en scharen wij ons achter de kinderen van Jeruzalem met palmtakken in de hand en zingen de Heer toe als ‘de Gezegende die komt in de Naam des Heren’. En al snel daarop wordt het lijdensverhaal gelezen waar in plaats van ‘Hosanna’ opeens ‘kruisig Hem’ wordt gescandeerd.

Het geeft mij altijd een dubbel gevoel. Toch zou ik het passieverhaal niet willen missen op Palmzondag. Want uitersten en dubbele gevoelens zijn vaak zo typerend voor ons leven. Zo kan tijdens het voorbereiden van uitvaarten naast het vallen van tranen soms even hartelijk gelachen worden. Op één dag kun je geconfronteerd worden met sterven en geboorte. Van himmelhoch jauchzend opeens zum Tode betrübt worden. Het is de dubbelheid van naastenliefde temidden van de eenzaamheid op een IC-unit.

Paulus schrijft aan de Filippenzen over zulke uitersten in het leven van Christus. Christus was gelijk aan God, maar Hij heeft die goddelijke majesteit losgelaten om mens te worden en een slavenbestaan te gaan leiden. Van opperste heerlijkheid afgedaald tot op de vernedering van het kruis. God de Zoon heeft aan ons gelijk willen worden tot in de dood. Grotere uitersten zijn niet denkbaar.

Iedere mens is onderworpen aan de dood. Dat onontkoombare lot was Jezus bereid met ons te delen in het offer op het kruis. Hij bleef in alles gehoorzaam aan zijn Vader: “Niet mijn wil, maar uw wil geschiede.”

En als die wil geschied is, dan blijkt Gods wil ten diepste een heilswil te zijn. God wil het goede voor zijn Zoon. God verheft zijn Zoon hoger dan het kruis dat wij Hem gaven, door Hem de naam te geven die boven alle namen is. Dat is de Godsnaam: Ik zal er zijn voor jou.

Want na het lijden en sterven wachtte Christus de heerlijkheid van Pasen. Die heerlijkheid belooft Hij aan ons. Ook al is het voor velen op dit moment nog steeds een Goede Vrijdag, wij mogen delen in zijn Verrijzenisleven.

Laten wij dan Hem aanbidden en blijven vertrouwen op Hem: Jezus Christus is de Heer!


Zaterdag 4 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Vele Joden, die naar Maria waren gekomen en zagen wat Jezus gedaan had, geloof­den in Hem. Enigen van hen gingen echter naar de Farizeeën om hun te vertellen wat Jezus gedaan had.
De hogepriesters en Farizeeën belegden daarop een zitting van het Sanhedrin en zeiden: ‘Wat doen we?’ Want die man verricht veel wonde­ren. Als wij Hem zijn gang laten gaan, zullen ze allemaal in Hem geloven. Dan zullen de Romeinen komen en met de heilige plaats ook ons volk wegvagen.’
Maar een van hen, Kajafas, die in dat jaar hogepriester was, zei hun: ‘Gij begrijpt er niets van;
ge denkt er niet aan, dat het beter voor u is, dat er een mens voor het volk sterft dan dat het hele volk ten onder gaat.’
Dat zei hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester in dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet voor het volk alleen, maar ook om de verstrooide kinderen van God samen te brengen. Van die dag af waren ze besloten Hem te doden.
Jezus bewoog zich daarom niet meer openlijk onder de Joden, maar vertrok vandaar naar de streek bij de woestijn, en wel naar de stad Efraim, waar Hij met zijn leerlingen verbleef. Toen echter het paasfeest van de Joden op handen was, gingen velen uit die streek voor Pasen naar Jeruzalem om zich te reinigen. Ze zochten naar Jezus en zeiden tot elkaar, terwijl ze in de tempel stonden: ‘Wat dunkt u? Zou Hij niet naar het feest komen?’

(De volledige daglezingen vindt u hier)

We zitten vlak voor de Goede Week. Morgen is het Palmzondag. In het Evangelie horen we vandaag over het besluit Jezus om te brengen: Kajafas, die in dat jaar hogepriester was, zei hun: ‘Gij begrijpt er niets van; ge denkt er niet aan, dat het beter voor u is, dat er een mens voor het volk sterft dan dat het hele volk ten onder gaat.’ … Van die dag af waren ze besloten Hem te doden.

Kajafas offert Jezus op om het volk te sparen. Want hij vreest dat de Romeinen hardhandig zullen ingrijpen als de mensen achter Jezus aanlopen. En om het zover niet te laten komen, besluit Kajafas dus dat Jezus dood moet.

Het is een vreselijke beslissing die Kajafas neemt. Een mens gaan vermoorden is afschuwelijk. En we weten dat Jezus een gruwelijke dood is gestorven. En toch is God in deze duistere zaak niet afwezig. Al weet Kajafas dat niet. Johannes schrijft: als hogepriester in dat jaar profeteerde hij (Kajafas), dat Jezus zou sterven voor het volk, en niet voor het volk alleen, maar ook om de verstrooide kinderen van God samen te brengen.

Kajafas weet niet dat God uit de dood van Jezus iets goeds zal laten voortkomen. Jezus’ dood aan het kruis zal eeuwig leven betekenen voor talloze mensen. En dat kon Kajafas niet voorzien. Hij dacht dat hij het aardse leven van het volk beschermde door de dood van Jezus. Maar God zorgde ervoor dat Jezus’ dood ten bate kwam van het eeuwig leven van de mensen.

Net als Kajafas kunnen wij niet overzien wat God van plan is en hoe Hij de gebeurtenissen in ons leven daarin een plaats geeft. Het is echt niet zo dat alles wat er in ons leven gebeurt Gods wil is. Maar wel is God altijd bij ons. En zijn begeleiding van ons leven en van de wereld zullen uiteindelijk leiden tot geluk en leven. Hoe? Dat weten we niet. Dat kunnen wij niet doorgronden. Maar de verrijzenis van Christus, na die vreselijke dood aan het kruis, laat zien dat God overwint. Hij overwon de kruisdood van Jezus en Hij overwint ook het leed in ons leven.


Vrijdag 3 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd raapten de Joden stenen op om Jezus te stenigen. Maar Jezus zei hun: ‘Ik heb voor uw ogen veel goede werken verricht, die uit de Vader voortkomen; om welk van die werken wilt gij Mij stenigen? De Joden gaven Hem ten antwoord: ‘Niet om een goed werk stenigen wij U, maar om een godslastering: dat Gij, een mens, Uzelf tot God maakt.’
Jezus antwoordde hun: ‘Staat er niet in uw Wet geschreven: Ik heb gezegd: gij zijt goden? Zij heeft hen tot wie het woord Gods gericht werd, goden genoemd, en de Schrift heeft bindende kracht. Maar waarom dan beschuldigt ge Mij, die door de Vader geheiligd en in de wereld gezonden werd, van godslastering als Ik Mijzelf Gods Zoon noem? Als Ik de werken van mijn Vader niet doe, behoeft gij Mij niet te geloven, maar zo Ik ze wel doe, gelooft dan die werken, als ge Mij niet wilt geloven. Dan zult gij inzien en erkennen, dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben.’
Toen probeerden zij opnieuw Hem te grijpen, maar Hij stelde zich buiten hun bereik. Hij ging terug naar de overkant van de Jordaan, naar de plaats waar Johannes aanvankelijk gedoopt had, en bleef daar. Velen kwamen tot Hem, want ze zeiden: ‘Johannes heeft weliswaar geen enkel teken gedaan, maar alles wat hij over deze man zei, was waar.’ En velen begonnen daar in Hem te geloven.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Nadat een vrouw bijna gestenigd werd, loopt het conflict rond Jezus allengs uit hand, want nu wil men Hém stenigen. De problemen begonnen met de goede werken die de Heer deed, ongeacht of het sabbat was of niet. Nu is de aanleiding de godslastering dat Hij zichzelf Zoon van God noemt.

Veel leerlingen waren inmiddels afgehaakt omdat ze de boodschap van Jezus te weerbarstig vonden. Zeker toen Hij begon te spreken over de gave van zijn Lichaam en Bloed als waarlijk voedsel en waarlijk drank (Joh. 6) zoals we vieren op Witte Donderdag.

Het zijn woorden waar de gelovige Joden aanstoot aan nemen. Het zijn woorden waar zogenaamd ‘moderne’ mensen evengoed aanstoot aan kunnen nemen: ‘Hoe kan dat…?’ Maar nergens in het Evangelie verzacht de Heer zijn woorden. Nergens zegt Hij zoiets als ‘eigenlijk bedoel ik’ of ‘het is maar symbolisch…’ Integendeel, zoals hier in het Evangelie. Het zoonschap van God zou je symbolisch kunnen uitleggen als bij God horen, kind zijn van God. Maar dan zegt Christus : “dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader ben.” Met andere woorden het Zoonschap van de Heer gaat véél verder dan alleen maar horen bij, dit heeft alles te maken met zijn kern, met zijn wezen.

In duidelijke en scherpe bewoordingen spreekt de Heer. En daarop volgt een enkele constatering: ‘En velen begonnen daar in Hem te geloven.’ Wat is het toch bijzonder dat temidden van het gekrakeel in de wereld mensen tot geloof komen en het bewaren! Tot op de dag van vandaag belijden alle christenen het geloof dat Jezus de Zoon van God is. In het Jeruzalem van Jezus’ dagen, in de circussen van het Romeinse Rijk, in oorlogsgebieden, ten tijde van de pest of de griep, hebben velen vertrouwd op de Heer, dat Hij met hen begaan is en hen redden zou. Dat is geloof gelouterd door het kruis en gesterkt door de hoop.

Volgende week gedenkt de Kerk dat Gods Zoon zichzelf heeft overgeleverd tot op het kruis omwille van ons heil. Moge het ook ons geloof zijn.


Donderdag 2 april

Uit Psalm 105

Verlaat u op God, op zijn machtige arm,
blijft altijd zijn Aanschijn zoeken.
Vergeet nooit de wonderen die Hij deed,
zijn tekenen en zijn beloften.

Gij, kroost van zijn dienaar Abraham,
gij zonen van Jakob, zijn welbeminde.
De Heer, Hij is onze enige God,
wat Hij beslist geldt voor heel de aarde.

Voor eeuwig blijft zijn verbond van kracht,
wat Hij beloofd heeft voor duizend geslachten.
De bond die Hij vroeger met Abraham sloot,
de eed die Hij Isaäk eens heeft gezworen.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

In iedere Mis wordt er een deel uit een psalm gebeden als tussenzang. Deze psalmen zijn vaak prachtige gebeden, lofzangen, klaagzangen of overwegingen. Vandaag komt de tussenzang uit psalm 105, die Gods trouw aan zijn volk bezingt. God zorgt voor zijn mensen, Hij blijft trouw aan zijn beloften en je kunt je dus veilig aan Hem toevertrouwen. ‘Verlaat u op God, op zijn machtige arm, blijft altijd zijn Aanschijn zoeken.’

Gods trouw gaat verder dan wij kunnen overzien. Toen God aan Abraham beloofde dat Abraham vader zou worden van vele volkeren, had Abraham geen idee hoe dat werkelijkheid zou worden. En Abraham kon het ook niet controleren, want hij zou natuurlijk al lang gestorven zijn voordat het zo ver zou zijn.
Maar Abraham geloofde God en vertrouwde op Gods belofte. Hij sloot een verbond met God en hield zich aan dat verbond, in het vertrouwen dat God zich ook aan dat verbond zou houden. En God heeft woord gehouden. Want Abraham is vader geworden van alle gelovigen. ‘Voor eeuwig blijft zijn verbond van kracht, wat Hij beloofd heeft voor duizend geslachten. De bond die Hij vroeger met Abraham sloot, de eed die Hij Isaäk eens heeft gezworen.’

Het verbond dat God met ons, christenen, gesloten heeft, is het verbond in Christus. In Jezus komen God en mens samen in één persoon. En net zoals Jezus voor eeuwig leeft na zijn verrijzenis, zo is ook dat verbond met God voor altijd, ongebroken, rotsvast en absoluut betrouwbaar. Wie zich door het geloof in Jezus met God verbindt, zal mogen delen in de eeuwige liefde van God.

Meestal kunnen we dat verbond met God vieren in de Eucharistie: ‘Neemt en eet hiervan, gij allen, want dit is mijn Lichaam dat voor u gegeven wordt. … Neemt deze beker en drinkt hier allen uit, want dit is de beker van het nieuwe altijddurende Verbond, dit is mijn Bloed dat voor u en alle mensen wordt vergoten tot vergeving van de zonden.’
Nu kan dat helaas een paar maanden niet. Maar als wij diep verlangen naar de Communie, als we God vragen om ons te sterken in ons geloof en vertrouwen, dan zal Hij ons zijn genade zeker schenken. Want voor God is niets onmogelijk. Hij blijft trouw, altijd.

Meer over de geestelijke Communie leest u hier


Woensdag 1 april

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd zei Jezus tot de Joden die in Hem geloofden: ‘Indien gij trouw blijft aan mijn woord, zijt gij waarlijk mijn leerlingen. Dan zult ge de waarheid kennen en de waarheid zal u vrijmaken.’
Men wierp op: ‘Wij zijn van Abrahams geslacht en nooit iemands slaaf geweest. Hoe kunt Gij dan zeggen: gij zult vrij worden?’
Jezus antwoordde hun: ‘Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: al wie zonde doet, is slaaf van de zonde, en de slaaf blijft niet voor eeuwig in het huis. De Zoon blijft voor eeuwig. Als de Zoon u vrijmaakt, zult gij werkelijk vrij zijn. Ik weet dat gij van Abrahams geslacht zijt; niettemin zoekt gij Mij te doden, omdat mijn woord bij u geen ingang vindt. Ik verkondig wat Ik bij de Vader heb gezien, maar gij doet wat gij van uw vader gehoord hebt.’
Zij antwoordden Hem: ‘Onze vader is Abraham!’ Daarop zei Jezus hun: ‘Als gij kinderen van Abraham zijt, doet dan ook de werken van Abraham. Thans echter zoekt gij Mij, een mens te doden, terwijl Ik u de waarheid heb gezegd, die Ik van God heb gehoord. Zoiets deed Abraham niet. Gij doet de werken van uw vader.’
Zij zeiden Hem: ‘Wij zijn niet uit ontucht geboren; een vader hebben wij en dat is God.’ Jezus zeide hun: ‘Als God uw vader was, zoudt gij Mij beminnen, want van God ben Ik uitgegaan en van Godswege ben Ik hier. Neen, Ik ben niet uit Mijzelf geko­men, maar Hij heeft Mij gezonden.’

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Opnieuw een rede van Jezus. Hij wast hier zijn gehoor de oren. Maar is het begin goed tot u doorgedrongen? De Heer spreekt hier niet met tegenstanders, schriftgeleerden of Farizeeën. Hij spreekt hier met Joden die in Hem geloofden.

Zij willen zijn leerlingen zijn. Maar dat word je pas als als je trouw blijft aan wat Hij zegt. Totdat de Heer spreekt over de waarheid die vrijmaakt, dan ontstaat er verwijdering. Het springende punt is het woord ‘vrijmaken’.

Vrijmaken impliceert gevangenschap of slavernij. Maar deze Joodse leerlingen stammen af Abraham en zijn nooit slaaf geweest. Hoe kan er voor hen sprake zijn van vrij worden, als ze al vrij zijn? Dan brengt Jezus vrijheid op een dieper niveau. Je bent niet vrij als je zondigt, dan ben je slaaf van de zonde. Het gesprek escaleert met alle gevolgen van dien.

Waarom drijft de Heer het op de spits? Het kan niet anders dan dat Hij zijn volgelingen helpen wil. Hoe dan? In vrijheid hebben zijn leerlingen gekozen. Het is hun vrije keuze zoals ze ook voor iets anders hadden kunnen kiezen. ‘Ik maak het zelf wel uit’, zoals wij tegenwoordig zeggen, waarbij wij de regie in eigen handen houden.

Dat is de grootste illusie, waar op dit moment heel de wereld tegenaan lijkt te lopen. Er gebeuren dingen die zich aan ons onttrekken, waarover wij geen enkele macht hebben. En als dat alles gebeurt, blijkt hoe wij vast zitten aan gedragingen, niet buiten de dingen kunnen die wij als vanzelfsprekend beschouwen. Waar zijn wij dan eigenlijk van afhankelijk, of zelfs slaaf van?

Leerling van Jezus zijn betekent te weten van wie je het mag verwachten. Te weten dat je zonder Hem vast komt te zitten en niet verder kunt. Dat gold voor de leerlingen van het begin, dat geldt voor ons of je nu uit een katholiek nest komt of op latere leeftijd christen bent geworden. De heilige Petrus getuigt hiervan: “Heer, naar wie anders zouden wij gaan, Gij hebt woorden van eeuwig leven. En wij weten en geloven dat Gij de Heilige Gods zijt”.


Dinsdag 31 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd sprak Jezus tot de Farizeeën : ‘Ik ga heen en gij zult Mij zoeken, maar in uw zonden zult ge sterven. Waar Ik heenga kunt gij niet komen.’ De Joden zeiden daarop: ‘Hij zal toch geen zelfmoord plegen, dat Hij zegt: Waar Ik heenga kunt gij niet komen?’ Maar Hij hernam: ‘Gij zijt van beneden. Ik ben van boven. Gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld.
Daarom zei Ik u, dat gij in uw zonden zult sterven, want als gij niet gelooft dat Ik ben, zult gij in uw zonden sterven.’
Zij vroegen Hem toen: ‘Wie zijt Gij dan?’ Jezus antwoordde: ‘Waarom zou Ik daar eigenlijk nog met u over spreken? Veel zou Ik over u kunnen zeggen tot uw veroordeling. Maar Hij die Mij gezonden heeft, is waarach­tig, en wat ik van Hem heb gehoord, dat zeg Ik tot de wereld.’ Zij begrepen niet dat Hij hun van de Vader sprak.
Daarop zei Jezus: ‘Wanneer gij de Mensenzoon omhoog zult hebben geheven, dan zult gij inzien dat Ik ben en Ik uit Mijzelf niets doe, maar dit alles zeg zoals de Vader het Mij heeft geleerd. En Hij die Mij gezonden heeft, is met Mij; Hij heeft Mij niet alleen gelaten, omdat ik altijd doe wat Hem behaagt.’ Toen Hij aldus sprak, gingen er velen in Hem geloven.

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Je kunt in deze tijd regelmatig horen over bezorgde kinderen die zich druk maken om hun ouders op leeftijd. Want niet alle ouderen laten zich overtuigen dat alleen zijn en binnen blijven momenteel het beste voor ze is. Op het internet heb ik verschillende berichten gezien van kinderen die proberen hun ouders te waarschuwen voor het gevaar waarin zij zich bevinden. Maar de waarschuwingen lijken soms niet door te dringen.

Vandaag horen we Jezus de Farizeeën waarschuwen. Het gaat ook hier om leven en dood. Jezus zegt: ‘Ik ga heen en gij zult Mij zoeken, maar in uw zonden zult ge sterven. Waar Ik heenga, kunt gij niet komen.’
Jezus weet dat de Farizeeën denken dat ze zo’n beetje heiligen zijn. Ze menen dat ze geen vergeving nodig hebben, en al helemaal niet van Jezus. Maar ze vergissen zich. Ook zij, net als alle mensen, net als wij, hebben Gods vergeving nodig. De vergeving die God ons aanbiedt in zijn Zoon. Als wij Hem maar willen aannemen, als wij maar in Hem willen geloven.

Jezus wijst ze er nog eens nadrukkelijk op, dat Hij van God komt, en dat ze Gods vergeving zullen mislopen als ze Hem niet aannemen: ‘Gij zijt van beneden. Ik ben van boven. Gij zijt van deze wereld, Ik ben niet van deze wereld. Daarom zei Ik u, dat gij in uw zonden zult sterven, want als gij niet gelooft dat Ik ben, zult gij in uw zonden sterven.’

‘Als gij niet gelooft dat Ik ben.’ Jezus wijst hiermee naar de Naam waarmee God zichzelf openbaarde aan Mozes: ‘Ik ben die is.’ God zelf waarschuwt de Farizeeën en alle mensen die menen dat ze Jezus niet nodig hebben.

Geloof toch in Christus. Aanvaard zijn liefde. Laat je door God beminnen. En beantwoord zijn liefde met jouw liefde voor Hem. Want liefde, Gods liefde, is sterker dan de dood. Hij overwint het kwaad van onze zonden, Hij is sterker dan onze menselijke broosheid. En deel Gods liefde met je naaste, door je naaste te beminnen en het beste voor hem te wensen en te doen.


Maandag 30 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

In die tijd begaf Jezus zich naar de Olijfberg. ’s Morgens vroeg verscheen Hij weer in de tempel en al het volk kwam naar Hem toe. Hij ging zitten en onderrichtte hen. Toen brachten schriftgeleerden en Farizeeën Hem een vrouw die op overspel was betrapt. Zij plaatsten haar in het midden en zeiden tot Hem: ‘Meester, deze vrouw is op heterdaad betrapt, terwijl ze overspel bedreef. Nu heeft Mozes ons in de Wet bevolen zulke vrouwen te stenigen. Maar Gij, wat zegt Gij ervan?’
Dit bedoelden ze als een strikvraag in de hoop Hem ergens van de te kunnen beschuldigen. Jezus echter boog zich voorover en schreef met zijn vinger op de grond. Toen ze bij Hem aanhielden met vragen, richtte Hij zich op en zei tot hen: ‘Laat degene onder u die zonder zonden is, het eerst een steen op haar werpen.’ Weer boog Hij zich voorover en schreef op de grond. Toen zij dit hoorden, dropen zij een voor een af, de oudsten het eerst, totdat Jezus alleen achterbleef met de vrouw, die nog midden in de kring stond.
Nu richtte Jezus zich op en sprak tot haar: ‘Vrouw, waar zijn ze? Heeft niemand u veroordeeld?’ Zij antwoordde: ‘Niemand, Heer.’ Toen zei Jezus tot haar: ‘Ook Ik veroordeel u niet; ga heen en zondig van nu af niet meer.’

(De volledige daglezingen vindt u hier)

Een interessant geval: 1. dit en dat is voorgevallen, 2. dit zijn de regels die daarvoor gelden en 3. hoe deze toe te passen? Dat kan aanleiding geven tot interessante uiteenzettingen, als het ware voer voor schriftgeleerden, theologen en eenieder met een mening. Voor academici is dat interessante casuïstiek en je kunt uren over zulke onderwerpen delibereren.

Maar de schriftgeleerden en de Farizeeën hopen niet op een spitsvondig betoog van Jezus, daar gaat het ze niet om. Ze willen Hem in de val lokken “in de hoop Hem ergens van te kunnen beschuldigen”. Het is een vraag waarop je gesprekspartner eigenlijk nooit een goed antwoord kan geven. Als Jezus een antwoord zou geven dat tegen Mozes ingaat, dan zou Hij ontrouw zijn aan de Wet. Als Hij zou instemmen, maakt dat Hem voor zondaars een stuk minder toegankelijk.

Jezus’ antwoord is subliem. Hij haalt de aandacht weg van de vrouw door de schriftgeleerden en de Farizeeën te confronteren met hun eigen gebrokenheid: “wie van u zonder zonden is, werpe de eerste steen”. Dat ze één voor één afdruipen, getuigt wel van zelfkennis en kennelijk weten ze zich toch voor God geplaatst, want ze dienen de Heer niet van repliek.

Maar wat gruwelijk blijft, is dat dit geen gedachtespelletje is. In de zin van: stel dat iemand overspel bedrijft en wordt betrapt, wat dan te doen? Nee, een overspelige is opgepakt en zal gestenigd worden. Maar het gaat hier niet om recht of gerechtigheid. De schriftgeleerden en de Farizeeën gebruiken de overspelige vrouw als middel om Jezus ten val te brengen. Van een mens maken zij haar tot een ding waarvoor je noch oog noch hart hoeft te hebben.

De Heer heeft wel oog en hart voor haar. Niet dat Hij zegt “Och arm, het is al goed, ga maar vlug naar huis.” Nee, Hij weet dat de vrouw niet goed gehandeld heeft. Zij heeft gezondigd door in te gaan tegen de Wet. Dat is niet erg omwille van de Wet, maar omwille van haar relatie met God en de naaste die de Wet veilig tracht te stellen. Ik geloof dat meer dan stenen de zonde het leven te gronde richt. Want het ware leven is het leven met God.

De schriftgeleerden en de Farizeeën staren zich blind op de Wet en zien de ander niet meer. Met haar heil zijn ze niet begaan. Maar Jezus kijkt naar de verloren mens die voor Hem staat en Hij verlangt die mens te redden en bij zijn Vader te brengen: “Zondig van nu af niet meer!”

Zo kijkt de Heer naar ons met een enorme liefde die ons het leven gunt. Mogen wij zo ook naar elkaar kijken.


Zondag 29 maart

Uit het heilig Evangelie van onze Heer Jezus Christus volgens Johannes

Bij zijn aankomst bevond Jezus dat hij al vier dagen in het graf lag. Betanië nu was dicht bij Jeruzalem, op een afstand van ongeveer vijftien stadiën. Vele Joden waren dan ook naar Marta en Maria gekomen om hen te troosten over het verlies van hun broer.
Zodra Marta hoorde dat Jezus op komst was, ging zij Hem tegemoet; Maria echter bleef thuis. Marta zei tot Jezus: ‘Heer, als Gij hier was geweest, zou mijn broer niet gestorven zijn. Maar zelfs nu weet ik, dat wat Gij ook aan God vraagt, God het U zal geven.’
Jezus zei tot haar: ‘Uw broer zal verrijzen.’ Marta antwoordde: ‘Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.’ Jezus zei haar: ‘Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?’ Zij zei tot Hem: ‘Ja, Heer ik geloof vast dat Gij de Messias zijt, de Zoon Gods, die in de wereld komt.’
Na deze woorden ging zij haar zuster Maria roepen en zei zachtjes: ‘De Meester is er en vraagt naar je.’ Zodra zij dit hoorde, stond zij vlug op en ging naar Hem toe.
Jezus was nog niet in het dorp aangekomen, maar bevond zich nog op de plaats waar Marta Hem ontmoet had. Toen de Joden die met Maria in huis waren om haar te troosten, haar plotseling zagen opstaan en weggaan, volgden zij haar in de mening dat zij naar het graf ging om daar te wenen.
Toen Maria op de plaats kwam waar Jezus zich bevond, viel zij Hem te voet zodra zij Hem zag en zei: ‘Heer, als Gij hier was geweest zou mijn broer niet gestorven zijn.’ Toen Jezus haar zag wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegeko­men, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd sprak Hij: ‘Waar hebt gij hem neergelegd?’ Zij zeiden Hem: ‘Kom en zie, Heer.’ Jezus begon te wenen, zodat de Joden zeiden: ‘Zie eens hoe Hij van hem hield.’

(De rest van het Evangelie en de andere lezingen vindt u hier)

Jezus zei tot haar: ‘Uw broer zal verrijzen.’ Marta antwoordde: ‘Ik weet dat hij zal verrijzen bij de verrijzenis op de laatste dag.’ Jezus zei haar: ‘Ik ben de verrijzenis en het leven. Wie in Mij gelooft, zal leven, ook al is hij gestorven, en ieder die leeft in geloof aan Mij, zal in eeuwigheid niet sterven. Gelooft gij dit?’ Jezus wist dat Hij Lazarus uit de dood kon doen opstaan. Hij wist dat Hij Lazarus binnenkort weer zou ontmoeten. En toch huilt Jezus als Hij bij het graf van Lazarus staat.

Johannes vertelt ons over die emoties van Jezus: Toen Jezus haar (Maria, de zus van Lazarus) zag wenen, en eveneens de Joden die met haar waren meegekomen, doorliep Hem een huivering en diep ontroerd sprak Hij: ‘Waar hebt gij hem neergelegd?’ Zij zeiden Hem: ‘Kom en zie, Heer.’ Jezus begon te wenen ….

Jezus is begaan met de mensen. Het lot van de mensen laat Hem niet koud. Als mensen ziek zijn, of verdrietig of eenzaam, of wanneer mensen sterven, denkt Hij niet bij zichzelf: Ach, Ik kan ze toch weer doen verrijzen als ik dat wil. Waarom zou Ik verdrietig zijn?
Nee, Jezus leeft mee met onze pijn en ons verdriet, ook al zal Hij dat alles overwonnen hebben in de nieuwe hemel en de nieuwe aarde.

Wij mensen zijn kwetsbaar. Dat ervaren we zeker in deze bijzondere veertigdagentijd. Wij zelf zijn kwetsbaar en onze samenleving is kwetsbaar. Voor sommigen kan dat als een schok komen. Want velen leefden alsof brood op de plank en een goede gezondheid vanzelfsprekend zijn. Nu blijkt dat allemaal niet het geval. In een paar weken tijd wordt iedereen geconfronteerd met deze fundamentele onzekerheid.
Maar weet dat je er niet alleen voor staat. God leeft met je mee. Hij is erbij wanneer je worstelt met spanningen. Hij is erbij wanneer je eenzaam bent of de hoop lijkt te verliezen. Net als Jezus niet voorkwam dat Lazarus stierf, zal Hij ook ons niet altijd voor alle kwaad behoeden. Maar Hij laat ons er ook niet in achter, zoals Hij ook Lazarus niet in het graf liet. Want Hij heeft de macht ons het eeuwig leven te geven.

Johannes schreef niet alleen dit Evangelie, maar ook drie brieven en het boek Openbaring. In dat laatste boek toont God hem in een visioen de weg die God met de mensheid gaat. En wanneer die geschiedenis van God met de mensen voltooid wordt, ziet Johannes hoe God alles nieuw en volmaakt zal maken. Hij schrijft over die nieuwe wereld: Zie, de Woonstede Gods bij de mensen: Hij zal zijn Tent bij hen spannen. Zij zullen zijn volk zijn, Hij: God met hen! Elke traan wist Hij weg uit hun ogen; en nooit zal de dood er meer zijn, geen rouw, geen geween en geen smart; want het vroegere is voorbij!
Dat is de hoop die wij, christenen, mogen hebben. Een hoop die geworteld is in de wonderbare macht van God en in zijn liefde. Laten wij ons aan Hem toevertrouwen.